Gastblog

3 augustus 2022

Zet een journalist 2 weken in de jungle, en daar komt natuurlijk een verhaal uitrollen! Daarom vandaag een heuse gastblog van mijn vader over ons avontuur in ‘het bos’!

Wandelaar met stok steekt een ondergelopen pad door de jungle over


Senci

Man met rugzak en hoed loopt door het regenwoud

Bospolitie!!!! Onze gids, Senci, steekt enthousiast
zijn hand op, zodat wij stoppen met praten en aandachtig luisteren. Denk niet
dat het hier gaat om een tot op de tanden gewapende politie-eenheid die in de
jungle van Suriname patrouilleert op zoek naar stropers of illegale
houtkappers. Nee, het gaat hier om een vogeltje, dat bij het horen van het
minste geluid alarm slaat en de mede jungle-bewoners waarschuwt voor
indringers.

Wij, Ingrid en ik (Gerrit), ouders van Lotte,
zijn twee weekjes op bezoek in Suriname. Het zijn maar twee weekjes, maar het
programma is vol en bijzonder afwisselend, van slapen in de jungle tot een
verblijf in, denk ik, de meest luxueuze b&b van Paramaribo. Minstens zo afwisselend zijn de indrukken die
we deze twee weken hebben opgedaan. Onder ander van onze zesdaagse tocht door de
Surinaamse jungle. Want we hebben het programma door Lotte laten samenstellen
en zij gaat niet voor half werk. Als Lotte een uitstapje organiseert dan
beperkt een jungle-trip zich niet een ochtendje in een bootje, of een middagje
gezellig wandelend in een groene omgeving. Nee, direct zes dagen en dan ook nog
eens heel erg ver weg van de bewoonde wereld,
’s nacht in een hangmatje, de boot over stroomversnellingen slepend en
met de zaklantaarn naar het toilet, want het is niet verstandig om in het
pikkedonker op een schorpioen, slang, of een reuzenspin te gaan staan.

Grote donkere spin op een groen blad

Ik wil hierbij een ode brengen aan onze gids
Senci. Senci komt van oorsprong uit de Marrongemeenschap, de gemeenschap van
weggelopen slaven (of moet ik zeggen ‘de weggelopen tot slaaf gemaakten’?). Samen
met zijn twee helpers, Freddy en Michon, gaan we vier dagen de jungle in.
Stelselmatig hebben zij het over ’het bos’, maar daarbij denk ik dan vooral aan
die kleine postzegels groen die wij hier in Nederland kennen. Het bos in
Suriname is oneindig groot. Een ochtend in de auto en daarna anderhalve dag in een
bootje om de Suriname-rivier. En dan zijn we nog maar halverwege de grens
richting Brazilië. Ik noem het dus ‘jungle’.

Senci is geboren in de jungle en zichtbaar en
hoorbaar trots op zijn afkomst van de Marrons. Met de inwoners van de hoofdstad
heeft hij niet zo vele affiniteit. “Het zijn watjes en ze zijn verwend en lui”,
zo scheert hij ze gemakshalve allemaal over één kam. Meer voelt hij zich thuis
in het bos. Zonder vrees laat hij ons Tarantula’s en Goliathspinnen zien (‘Mooi,
zet maar weer snel terug’) en laat hij een kogelmier over een stokje lopen om
er vervolgens vrolijk bij te vertellen dat een prik van zo’n mier zelfs de
die-hard Marron minimaal 5 uur volledig uitschakelt (‘Mooi, kan ook weer terug
in z’n nest’). Samen gaan we door het bos. Met zijn grote kapmes effent hij
voor ons het pad. Hier en daar hakt hij (of Freddy) een boompje om, om deze
vervolgens als bruggetje over een watertje te leggen om ons op die manier
veilig naar de overkant te loodsen. ’s Avonds gaan we met hem op pad voor
kaaimannen (waterkippen), leguanen (boomkippen) of slangen. Aan alles is te
zien dat hij zich hier thuisvoelt. De gevangen Piranha’s gaan ’s avonds de pan
in. ‘Lekker, maar niet bijzonder’, denk ik, met de Nederlandse kibbeling of gefileerde
zalmmoot in m’n achterhoofd. Senci denkt er duidelijk anders over. Smakelijk
eet hij zijn piranha’s, waarbij hij vakkundig in zijn mond de honderden
graatjes weet te scheiden van het vlees. Ook allerlei vreemde onderdelen van
een kippenkarkas gaan, met de nodige bijgeluiden, smakelijk naar binnen.

Kleine zwarte kikker met een gele streep op een boomstam

Senci weet niet alleen veel over de jungle, hij
kan ook veel vertellen over de geschiedenis van de Suriname en de manier waarop
de gevluchte slaven wisten te overleven in de jungle, geholpen door de oorspronkelijk
bewoners, de indianen. Op de terugweg komen we langs ettelijke marrondorpjes. De
vrouwen staan in het water de was te doen. In de oorspronkelijke taal van de
marrons, saramakaans, roept hij naar iedereen langs de waterkant. Ze groeten
allemaal vrolijk terug. Over een afstand van meer dan 100 kilometer lijkt men
elkaar allemaal te kennen. We stoppen bij één van de dorpjes, het dorp waar de
familie van Senci woont. Hij nodigt ons uit om bij zijn tante te eten (bruine
bomen, rijst en kip). In tussentijd geeft hij plastic zakjes met kip, die zijn
overgebleven van onze jungle-tocht, aan familie en helpt een dorpsgenoot hem
bij de reparatie van de boot. Zo profiteren meerdere dorpsgenoten van ons
uitstapje.

Maar wat ik persoonlijk het allermooiste vond
aan Senci: zijn enthousiasme als hij ergens een bospolitie, kolibrie, visarend,
spinnetje, wandelende tak, wild zwijn of gifkikker ontdekte. Dan ging hij los
alsof het de eerste keer was dat hij zo’n exemplaar zag. En geen spoortje van
‘heb ik eerder gezien’ of ‘ken ik al’. Nee, steeds even enthousiast wijst hij
ons op de geheimen van ‘zijn bos’ Denk
daarbij aan de prachtig mooi ronde Surinaamse ‘W’ op het moment dat hij ergens
naar wijst en ik totaal niet zie wat hij wel ziet: ‘Kijk, wwwat mooi, een bladpad, daar in het wwwwwwater.’

Dode boomstronk en bladeren op de bosbodem

Zoek de bladpad

Reacties

Geef een reactie

Karibu!

Geen verhaal missen?

Laat je e-mailadres achter. Zodra er een nieuw verhaal online staat, krijg je een mailtje.

Afmelden kan altijd. De mail komt van welkom@flotteverhalen.nl.